Nieuws

Boter, kaas en zoveel meer

Potlood Arend Waninge

Ze schoten als paddenstoelen uit de grond, eind 19e en begin 20e eeuw. Particuliere en coöperatieve zuivelfabrieken moesten de rijke Friese agrarische traditie in ere houden. Maar de zuivelfabrieken werden zoveel meer: een belangrijke werkgever en beeldbepalend in de dorpen. De Sa!-regio telde ooit vijftien zuivelfabrieken, zo blijkt uit het onlangs verschenen imposante boek over zuivelfabrieken in Friesland.

‘Oude zuivelfabrieken zijn gedenktekens van economische vernieuwing’, schrijft Marijn Molema, historicus bij de Fryske Akademy, in het boek. De fabrieken waren het antwoord op snel veranderende economische omstandigheden. Friesland had een rijke agrarische traditie, met zelfbewuste boeren. Maar dat zelfbewustzijn had volgens Molema twee gezichten. Het gaf de boeren aanvankelijk een voorsprong, maar verhinderde ook het op tijd inspelen op nieuwe technische ontwikkelingen.

Andere regio’s en het buitenland schakelden eerder over op industriële verwerking van de melk, margarine deed haar intrede en de Friese landbouw verloor zijn voorsprong. Aan het eind van de 19e eeuw drong dat besef door, het leidde tot een onstuimige ontwikkeling. Er werd goed gekeken naar verwerkende productietechnieken in Scandinavië en de zuivelfabrieken schoten als paddenstoelen uit de grond. De fabrieken kregen een belangrijke plaats in de dorpen. Niet alleen als werkgever. De fabrieken waren beeldbepalende gebouwen en kregen een belangrijke maatschappelijke rol.

Avontuurlijke boeren

De stichters van de eerste zuivelfabrieken waren vaak avontuurlijke boeren, maar ook niet-agrarische ondernemers. De boeren spraken wel veel over het oprichten van coöperaties, maar het bleef lang bij praten. Toch kregen ze bij de eerste fabrieken van industriële eigenaren al snel het idee dat ze de regie over de zuivelproductie verloren aan de grilligheid van fabrieksdirecteur en -eigenaar. In 1887 ontstond de eerste coöperatieve zuivelfabriek in Warga, daarna ging het snel. Tot 1903 kwamen er veel fabrieken bij. Van de 160 fabrieken die in het boek ‘Zuivelfabrieken in Friesland’ worden beschreven, is 70 procent opgericht tussen 1888 en 1903. Vanaf 1920 verdwenen de eerste fabrieken ook weer, na 1931 kwam er geen nieuwe meer bij.

De innovatie in de landbouw nam in de jaren vijftig een vlucht, de melkproductie steeg enorm. Tussen 1955 en 1980 verdubbelde de melkproductie in Friesland. Het zorgde ervoor dat de zuivelfabrieken continu moesten aanpassen en uitbreiden. Dat leidde eind jaren vijftig, begin jaren zestig tot veel discussies. Een bundeling van productie leidde tot fors lagere productiekosten.

Veel van deze fabrieken verloren vanaf de jaren vijftig hun economische houdbaarheidsdatum, de productie werd gebundeld en geconcentreerd. In de jaren zestig volgde een eerste fusiegolf. Tussen 1955 en 1975 daalde het aantal zuivelfabrieken in Friesland van 95 naar 31. In deze regio ontstond zo eerst De Zuid-Oost-Hoek, later volgden andere fusies. De fabriek in Olterterp staakte de zuivelproductie als laatste, in 2003. Een aantal voormalige zuivelfabrieken is gesloopt, andere staan leeg en weer andere zijn nog steeds in gebruik als fabriekspand.

Bontebok (1898-1966)
Van de coöperatieve zuivelfabriek De Gemeenschap aan de Schoterlandse Compagnonsvaart is niets meer over. In 2005 worden de gebouwen gesloopt om plaats te maken voor woningbouw. Initiatiefnemers van De Gemeenschap in 1898 zijn de veehouders van Katlijk. De fabriek start met 68 leden, met samen 500 koeien. Veertig jaar later zijn het 270 leden, goed voor 7,7 miljoen kilo melk per jaar. De fabriek sluit in 1966, de leden sluiten zich aan bij de coöperatie in Wolvega.

Boornbergum (1903-1967)
Wanneer honderd leden in Boornbergum met een coöperatieve zuivelfabriek willen starten, heeft het dorp al een particuliere zuivelfabriek van J.G. de Boer. Deze wordt overgenomen en verbouwd. De vernieuwde stoomfabriek draait in februari 1904. De fabriek betaalt mee aan de aanleg van wegen in de buurt om de melktoevoer te verbeteren, bijvoorbeeld van boeren uit Nij Beets. In het eerste jaar verwerkt de fabriek 2,5 miljoen kilo melk. Vanaf 1949 krijgt de fabriek de naam Mei-Inoar Ien. In 1966 volgt een fusie met de fabrieken in Olterterp en Langezwaag en Terwispel.

Bovenknijpe (1893-1934)
Houthandelaar Siebenga richt samen met vijf veehouders in 1893 in Bovenknijpe een stoomzuivelfabriek annex graanmaalderij op. Over de fabriek is niet zoveel bekend. In 1921 komen de aandelen in handen van KNM, in 1934 wordt de fabriek geliquideerd.

Frieschepalen (1889-1908?)
In 1889 richt H.W. Gorter in Frieschepalen een particuliere zuivelfabriek op. Enkele jaren later neemt een groep boeren de fabriek over. De voormalige eigenaar wordt de nieuwe directeur. Over de fabriek is verder weinig bekend. Waarschijnlijk zijn de activiteiten in 1908 gestaakt.

Hemrik (1902-1935)
De gebroeders Van der Sluis stichten eind 19e eeuw een particuliere zuivelfabriek aan de Opsterlandse Compagnonsvaart op de hoek met de Fabryksleane. Een groep boeren neemt de fabriek in 1902 over. In de jaren twintig wordt De Nijverheid helemaal vernieuwd. In 1934 verwarmt de fabriek het zwembad dat naast de fabriek wordt gebouwd. Maar een jaar later sluit de fabriek. De boeren sluiten zich in 1935 aan bij de fabriek in Terwispel. De fabrieksgebouwen staan er nog steeds.

Jubbega (1903-1968)
De zuivelfabriek Ons Belang verrijst in 1903 tussen Jubbega en Schurega. Ons Belang levert ook veel andere agrarische producten. In de jaren twintig volgt een uitbreiding. De aan- en verkoopvereniging gaat in 1962 op in de C.A.F. De zuivelcoöperatie fuseert in 1961 met Oldeberkoop en vier jaar later met Wolvega. In 1968 stoppen de agrarische activiteiten helemaal. De fabriek doet nu nog steeds dienst als bedrijfsverzamelgebouw.

De Knipe ‘t Meer (1890-1961)
Bij de veensluis van ’t Meer, ook wel Benedenknijpe genoemd, start Dirk Woltman, burgemeester van Aengwirden, in 1890 een particuliere zuivelfabriek. De boeren richten in 1907 uit onvrede met de gang van zaken een coöperatie op en nemen de stoomzuivelfabriek over. Het blijft een kleine fabriek met op het laatst een jaarverwerking van 6,5 miljoen kilo melk. Pogingen tot fusies slagen niet. In 1961 stopt de fabriek helemaal, de boeren stappen over naar Haskerhorne. In 2006 is de fabriek afgebroken voor woningbouw.

Makkinga (1894-1984)
De fabriek start in 1894 onder invloed van dominee en onderwijzer N.G. van Brederode. Hij is dan ook al betrokken bij de zuivelfabriek in Elsloo. Boter van beide fabrieken gaat vooral naar Brabant. Het is een kleine handkrachtfabriek aan de Wemeweg. In 1908 bij overschakeling op stoom komt er een nieuwe fabriek De Eendracht. De fabriek staat niet aan het open water, maar vanaf 1914 wel aan een tramverbinding. In 1950 zijn er 176 leden met jaarlijks 7,3 miljoen kilo melk. Later volgen fusies met de fabrieken in het zuidoosten van Friesland. Eerst als federatie, later als fusie met de fabriek in Oosterwolde. De activiteiten stoppen in 1984. De fabriek maakt later plaats voor woningbouw.

Mildam (1898-1899)
Ondernemer J.R. Heida start in 1898 een particuliere fabriek, maar die bestaat slechts een jaar. Misschien sneuvelt de fabriek onder invloed van de coöperatieve fabriek die hetzelfde jaar in Bontebok ontstaat.

Oldeberkoop (1896-1977)
Bij de oprichting van De Goede Verwachting speelt de familie Willinge Prins een belangrijke rol, zoals bij zoveel ontwikkelingen in Oldeberkoop. De fabriek staat aan de Oosterwoldseweg met een korte afstand tot het vaarwater van de Tjonger. De fabriek draait tot 1904 op handkracht, daarna op stoom. De fabriek breidt in de loop der jaren regelmatig uit. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog verwerkt de fabriek circa 10 miljoen kilo melk, in 1971 is dat 15 miljoen kilo. De Goede Verwachting staat jarenlang bekend vanwege de melkprijs. In 1975 volgt een fusie met Wolvega. In 1977 stopt de productie. De panden zijn nog steeds volop in gebruik.

Olterterp (1893-2003)
Bij de start van de coöperatieve zuivelfabriek De Hoop in 1893 zijn er 36 boeren lid, samen hebben ze 411 koeien. Ze betalen 5 gulden inleggeld per koe. Tot 1917 is er bij de zuivelfabriek ook een graanmaalderij. De Hoop investeert veel in de fabriek die voortdurend uitbreidt. In 1939 verwerkt de fabriek 12 miljoen kilo melk, in 1965 is dat meer dan 17,5 miljoen kilo. Daarna volgen fusiebesprekingen met Boornbergum, Terwispel en Langezwaag. De productie van de gezamenlijke fabrieken stijgt naar 55 miljoen kilo melk per jaar. Daarna ontstaat in 1975 verdere samenwerking van de fabrieken onder de naam De Zuid-Oost-Hoek, later is de fabriek onderdeel van Friesland Frico Domo. In 2003 volgt verplaatsing van de productie naar de zuivelfabrieken van Workum en Bedum en rest de fabriek uiteindelijk sloop. Het terrein ligt nog steeds braak.

Terwispel (1897-1973)
De coöperatieve zuivelfabriek De Volharding in Terwispel ontstaat na vijf jaar voorbereiding. Het is de bedoeling de fabriek in Lippenhuizen te bouwen, maar daar zijn te weinig koeien, dus wordt het Terwispel. Directe aanleiding is onvrede over de prijzen van de particuliere zuivelfabriek in Hemrik en vervalsingen op de botermarkt in Gorredijk. Bij de start zijn er 99 leden. De fabriek wordt aan de Nieuwe Vaart gebouwd, op de kruising met De Streek. Tijdens de Eerste Wereldoorlog stappen boeren uit Tijnje uit en bouwen hun eigen fabriek. In 1935 is er een fusie met Hemrik. Voor de Tweede Wereldoorlog krijgt de fabriek een heel nieuw uiterlijk. In 1963 volgt de fusie met Langezwaag en ontstaat de coöperatie Gorredijk e.o. Een jaar later gaat de melk van Langezwaag naar Terwispel. In 1966 volgt de fusie met Boornbergum en Olterterp en concentratie van activiteiten in Olterterp. De fabriek sluit in 1973. Sinds 1976 is verffabrikant Anker Stuy eigenaar van de fabriek.

Tijnje (1916-1971)
In 1916 stappen de Tynster boeren uit De Volharding in Terwispel en gaan onder de naam De Volharding II in eigen dorp verder met een nieuwe coöperatieve zuivelonderneming. De fabriek staat aan de Warrewei met verbinding naar het open water via het Lange Rak. De zuivelfabriek sluit in 1971 en is later in gebruik bij vleesverwerker Beusmeat. De fabriek staat nu leeg.

Ureterpvallaat (1892-1911)
Grietje Arendsz verwerkt de melk van haar vader tot boter en kaas en doet dat later ook voor boeren uit de buurt. Zij volgt in 1892 lessen aan de zuivelschool in Bolsward en sticht daarna aan de Vallaatsterweg onder de naam Aurora een kleine particuliere zuivelfabriek. In 1908 verschijnen er advertenties waarin de fabriek vanwege familieomstandigheden te koop wordt aangeboden. Er komen geen kopers, de fabriek sluit in 1911.

Wijnjewoude – Klein Groningen (1903-1967)
Met J. van der Lei als grote promotor start de coöperatieve zuivelfabriek De Vooruitgang haar activiteiten in 1903. Vanwege de verbinding met het open water wordt de fabriek gebouwd aan Opsterlandse Compagnonsvaart in buurtschap Klein Groningen. De fabriek breidt een aantal keren uit. Tijdens de Eerste Wereldoorlog volgt een federatie met andere fabrieken in Zuidoost-Friesland. In 1967 ontstaat een grote fusie met de fabrieken in Oosterwolde en omgeving en sluit De Vooruitgang. Sindsdien heeft de fabriek verschillende bestemmingen, de fabriek is in 2017 gesloopt.

 

Zuivelfabrieken in Friesland
De gegevens en de illustratie van dit artikel zijn ontleend aan het onlangs verschenen boek ‘Zuivelfabrieken in Friesland’. In het boek beschrijft historicus Marijn Molema de ontwikkeling van de zuivelindustrie in Friesland. Peter Karstkarel gaat vervolgens in op de architectuur van de fabrieken, waarna een beschrijving volgt van 160 zuivelfabrieken, met veel historische informatie en prachtige foto’s. De verzameling van Robert Visser vormt de basis van het boek. ‘Zuivelfabrieken in Friesland’ bevat 320 pagina’s en kost 39,90 euro. Het boek is onder andere verkrijgbaar bij Planteyn boeken in Gorredijk.