Nieuws

De magie van de vlinder

Camera Sietse de Boer Potlood Renske Woudstra

Vincent van Gogh maakte een foutje. Hij maakte een schets van wat hij dacht dat een doodshoofdvlinder was. “Bij het uitwerken dacht hij het doodshoofdje over het hoofd te hebben gezien, hij tekende het er alsnog op.” Fout, ontdekten deskundigen na zijn dood. De vlinder bleek een grote nachtpauwoog te zijn.

De vlinderfout van Van Gogh is een van de bijzondere verhalen die verbonden zijn met de passie voor vlinders van Hans Bijl (78). Van 17 maart tot en met 26 mei stelt hij zijn verzameling tentoon in Museum Opsterlân. Hans breidt graag het verhaal over de schilder uit met leerzaam materiaal. “Hier in Nederland hebben we alleen de kleine nachtpauwoog, die heb ik erbij gezet. De grote nachtpauwoog is een trekvlinder en wordt hier zo nu en dan gevonden. Iemand bracht mij een keer een dikke rups die was gevonden in een aardappelveld. Dat kon alleen de doodshoofdvlinder zijn. Het vrouwtje vliegt over het aardappelveld en laat als een bommenwerper eitjes vallen.” Hij kweekte de rups op, die zich later inderdaad tot doodshoofdvlinder ontpopte.

Passie voor vlinders heeft Hans Bijl sinds zijn vroege jeugdjaren. “Toen ik zo’n twaalf jaar was, speelde ik met vrienden bij een laantje met gele dahlia’s. Daar vloog een grote vlinder, een vriend sloeg hem dood en ik nam de vleugeltjes mee naar huis.” Het bleek de koninginnenpage te zijn. Hans deed hem in een blauw fluwelen doosje met glazen deksel. “Prachtig was dat, ik wilde meer.” Toen hij de vlindercollectie van de directeur van het Fries Museum zag, was hij verkocht. Hij leerde prepareren en registreren en gaf zijn groeiende verzameling daarmee een wetenschappelijke waarde.

De twee atlasvlinders die hij in de schoolklas kweekte.

In zijn werkzame jaren was Hans Bijl onderwijzer, onder andere van 1970 tot 1979 ‘hoofd der school’ in Lippenhuizen. “Ik heb weleens in de klas honderd eitjes van het grote koolwitje uitgebroed om te kijken hoeveel vlinders daarvan overblijven. In de natuur wordt 2 procent van de eitjes een vlinder, in een hele goede omgeving komt 5 procent uit.” In 1965, toen hij in Drachten aan school stond, kwam een leerlinge met een rups die haar vader op de worteltjes in de volkstuin gevonden had. “Later kwam ze met nog zeven. Het waren rupsen van de koninginnenpage, heel bijzonder. Ik heb ze thuis koel gehouden en laten verpoppen.” Twee grote atlasvlinders die hij eveneens in de klas kweekte, zijn ook op de tentoonstelling te zien.

Een jarentwintigschilderijtje met iriserende kleuren. Hans wijst: “Kijk, die wolkjes zijn vleugels van de morpho uit Zuid-Amerika. Heel bijzonder.” Eronder hangt een kastje met twee van die grote blauwe vlinders. “Zeelui namen die vlinders mee om er onderweg schilderijtjes van te maken. Het bijzondere is dat deze vlinders blauw blijven omdat de schubben op de vleugels het licht weerkaatsen. Andere vlinders verkleuren, deze niet.”

De immer blauw blijvende morpho uit Zuid-Amerika met daarnaast ‘ons’ kleine blauwtje.

Hans Bijl is lid van verschillende verenigingen op het gebied van entomologie (de tak van dierkunde die zich bezighoudt met studie van insecten waaronder vlinders). Hij zet zich in voor verbetering van de leefomgeving in Nederland. Hij inventariseert en geeft overheden en landeigenaren aanbevelingen over de voor vlinders beste wijze van beheer.