Museum van de gewone man

De Morgenster van Ko Maring

Camera Sietse de Boer Potlood Wim Bras

Een paar keer per jaar hijst Ko Maring de Morgenster in top. Meestal met Koningsdag, als gebaar van protest. Maar ook weleens tussendoor, in een dwarse bui. “Als ik de Morgenster zie wapperen, verdwijnt mijn chagrijn.”

De vlag is zo oud als Ko zelf: 57 jaar. De Morgenster ging in top toen hij ter wereld kwam in Serui, een stadje op het eiland Yapen voor de kust van Westelijk Nieuw-Guinea. De voormalige kolonie was net onafhankelijk van Nederland. Een nieuwe vlag voor een nieuw kind in een nieuw geboorteland. “Lang wapperde de Morgenster niet. Onder druk van Kennedy en de VN kwam Westelijk Nieuw-Guinea nog datzelfde jaar onder bewind van Indonesië. Eind 1962 was de Morgenster een verboden vlag. Mijn moeder smokkelde hem mee naar Nederland.”

Avontuurlijke idealisten

Zijn ouders, Harry en Eef Maring, komen eind jaren vijftig aan in Westelijk Nieuw-Guinea. “Mijn vader had in Nederlands-Indië gevochten. Hij hield er een blijvende liefde voor de tropen aan over. En voor de mensen daar.” Terug in Nederland volgt hij de opleiding tot onderwijzer met de bedoeling zich in te zetten voor de Papoea’s in Nieuw-Guinea die zich voorbereiden op zelfbestuur. De kans komt voorbij als de gereformeerde zending in Oegstgeest een onderwijzersechtpaar zoekt. “Mijn ouders hadden inmiddels vijf dochters, maar mijn moeder deed in avontuurlijke zin en idealisme niet voor mijn vader onder. Ze stapten blijmoedig met vijf kinderen op de boot en zouden er met zeven terugkomen.”

Uit overlevering

De verhalen over de jaren in Serui kent Ko van zijn zussen. “Mijn broer en ik zijn er geboren, maar zij hebben de herinneringen.” De overweldigende natuur, de geluiden van de tropen, de vriendelijkheid van de Papoeabevolking, zwemmen in de kali, het stuk gaas over zijn wiegje ter bescherming tegen de wilde beesten: Ko weet het slechts uit overlevering. “Vanuit hun sterke geloof in de vooruitgangsgedachte dreven mijn ouders een internaat waar ze jongeren opleidden tot onderwijzer. Maar na de komst van de Indonesiërs was het voor een gezin als het onze niet langer veilig. Mijn moeder vertrok toen halsoverkop met de kinderen naar Nederland. Vader kwam een half jaar later, hij wilde de school koste wat het kost netjes overdragen.”

Wat nu?

Zonder een cent op zak, gekleed in luchtig tropengoed, arriveren de Marings in de koude winter van ’62-’63 op Schiphol. “We hadden niks, niets eens een adres. Mijn moeder moet toen mijn vader hebben gebeld met de vraag: wat nu?” Uiteindelijk is er opvang in Diever, waar vader Maring voor de klas had gestaan. Ze krijgen een plekje in de stookhut van de slager, de kerk zorgt voor de eerste levensbehoeften. “Uiteindelijk krabbelden mijn ouders er weer bovenop. Mijn vader enigszins verbitterd, mijn moeder niet. Die hield nog jarenlang lezingen om geld op te halen voor het Papoea-studiefonds.” Papoea’s zijn volgens Maring de meest open mensen van de wereld, er zit geen kwaad bij. “Ze zijn te aardig om in opstand te komen, ondanks dat de Indonesiërs hen als derderangs volk behandelen. Als dan zoals laatst de Indonesische president hier op staatsbezoek komt, steek ik de verboden vlag uit.”