Nieuws

De Schoterlandse Jordaan

Potlood Arend Waninge

Hendrik Marcus de Jong, ‘Hare Majesteit’, werd in de laatste oorlogsjaren de spil in het onderbrengen van tientallen onderduikers aan de stille kant van de Schoterlandse Compagnonsvaart in Oudehorne en Bontebok. Hij zette zijn herinneringen direct na de oorlog op papier.

De stille kant van de Schoterlandse Compagnonsvaart in Oudehorne en Nieuwehorne aan de Vaart (nu Bontebok) was in de oorlogsjaren alleen bereikbaar via een zandpad en de karakteristieke ‘barten’ over de wijken. Daardoor vonden tientallen onderduikers hier een veilige schuilplaats. Was er onraad dan konden ze een veilig heenkomen vinden in de weilanden en boswallen richting Oude- en Nieuwehorne. Vanwege de talrijke joodse onderduikers werd dit deel aan de vaart later ook wel de Jordaan genoemd.

Marcus de Jong
Veehouder Marcus de Jong was de centrale figuur in de organisatie van de onderduik. In december 1945 vertelde hij in de brochure ‘Het illegale werk in de gemeente Heerenveen’ over de laatste twee oorlogsjaren aan de vaart. Want pas in januari 1943 werd hij door een vriend benaderd met het verzoek om een paar joodse mensen onderdak te verschaffen. Het werden er uiteindelijk tientallen, al is het exacte aantal niet bekend. Sommige oorlogsdeskundigen spreken zelfs over 300 tot 400 onderduikers. Zeventig joodse onderduikers, mannen en vrouwen, hielden op 26 april 1945 een bijeenkomst waarin zij hun innige dank betuigden aan hen ‘die hun leven op het spel zetten om hun medemensen uit de klauwen van hun vervolgers te redden’.

Onder hen Trudi Ascher-Jacobs. Sa! was er eerder dit jaar bij toen zij vanuit haar nieuwe vaderland Israël terugging naar het huis nabij de Eilewijk in Oudehorne. De plek waar ze de laatste negen maanden tot de bevrijding had gezeten. Haar ouders kwamen om in Auschwitz en Mauthausen. Ook de bekende joodse Amsterdamse wielrenner Tinus van Gelder, in 1948 actief op de Olympische Spelen in Londen, had zijn leven te danken aan de hulp van barmhartige mensen aan de vaart. Van Gelder emigreerde later naar Australië, waar hij in 1991 overleed.

Piloten
Vorige week vertelde Ben Troostwijk uit Leeuwarden in de Leeuwarder Courant over zijn onderduikerstijd op het boerderijtje van Hendrik Marcus de Jong in Bontebok. “Daar molk ik twaalf koeien.” De Jong noemde hij zijn pleegvader. “Er waren regelmatig vergaderingen. Ik haalde de mensen dan op, zette ze over de vaart, stond op wacht of bracht Engelse en Amerikaanse piloten in veiligheid.” Het waren niet alleen joden en jodinnen die een veilige schuilplaats aan de vaart vonden. In zijn brochure schrijft De Jong: “Wij hadden een Amerikaanse piloot in huis. Kwam er onverwachts iemand binnen, dan werd met een stalen gezicht verteld dat de persoon een doofstomme was uit Holland. In liegen en zwijgen kreeg je hoe langer hoe meer routine. Zo was er een weduwe, die geen joodse studenten in huis wilde hebben, maar wel een paar anderen. De joodse studenten werden haar prompt bezorgd en ze waren spoedig de beste vrienden.”

In de volksmond werd Hendrik Marcus de Jong vaak Hare Majesteit of kortweg HM genoemd. Die naam kreeg hij van een van zijn voornaamste kompanen in het verzetswerk, Roel Vis uit De Knipe. Later vertelde Vis: “De Jong en ik hadden op een avond een flinke discussie. Hij communist, ik gereformeerd. Hij was toen, later niet meer, tegen het Koninklijk Huis. Ik zei toen voor de grap: U bent Hendrik Marcus. Ik ga u voortaan Hare Majesteit noemen. Hij kon dat goed waarderen en schijnt dat verder verteld te hebben.”

Ondanks hun grote verschil in politieke achtergrond konden Vis en De Jong het uitstekend met elkaar vinden. Vis betitelt de Jong ook als humoristisch, vriendelijk, emotioneel, maar soms ook bikkelhard. Bij zijn indrukwekkende illegale activiteiten kreeg HM hulp van veel andere verzetsmensen, bijvoorbeeld bij het verzamelen van de broodnodige bonkaarten. Ook de directeuren van de zuivelfabrieken in Bontebok en Jubbega steunden het illegale werk. De Jong daarover in zijn brochure: “Zonder hun medewerking zou het niet mogelijk zijn geweest in Nieuwehorne zoveel mensen onder te brengen, daar dit meestal geschiedde bij kleine veehouders en arbeiders, waar de voedselvoorraad niet van dien aard was om geregeld kostgangers van het nodige te voorzien. Op deze fabrieken zijn duizenden kilo’s boter en kaas aan de bezetter onttrokken en voor de onderduikers afgestaan.”

Yad Vashem
Naarmate de oorlog langer duurde werd het optreden van de bezetter wreder. Het had tot gevolg dat steeds meer mensen aan het verzetswerk meededen. Er was langs de ‘Jordaan’ haast geen gezin meer dat geen onderduikers in huis had. In zijn voorwoord bij de brochure schrijft De Jong: “Wij mogen niet verhelen dat dit schone werk van naastenliefde en vaderlandse plicht alleen voltooid kon worden door het innerlijke samenwerken van mensen, saamgebonden uit alle politieke en godsdienstige partijen. Mensen, die slechts met één doel bezield waren, namelijk zich te ontfermen over hun medemensen, aanvaardende alle risico die er aanverbonden was. (..) Het is één van de schoonste fragmenten uit mijn leven geweest, dat mij eeuwig zal bijblijven.” Het was dan ook een terechte beslissing van de Israëlische regering om De Jong en zijn vrouw Nienske de Jong-Zeinstra in 1973 te onderscheiden met de Yad Vashem-medaille, officieel ‘Certificaat van bijzonder goed gedrag in oorlogstijd’ geheten.