Nieuws

De sporen van de otter

Camera Sietse de Boer Potlood Mary van der Graaf

De aanwezigheid van otters zal een gewone sterveling niet snel opvallen, maar wie met Harrie Bosma van het Wetterskip op stap gaat, heeft na een paar passen al een eerste otterervaring. Met hem is een tocht door Van Oordt’s Mersken een spannend avontuur.

De expeditie met otterexpert Harrie Bosma begint best eigenaardig. We lopen een stukje langs snelweg A7. Geen pretje, het voorbijrazende verkeer is intimiderend en de berm – met overal afval – deprimerend. Doel van de korte wandeling is de faunapassage onder de A7 tussen Tijnje en Beetsterzwaag. Deze onderdoorgang is twee jaar geleden aangelegd om de loop van het Koningsdiep te herstellen en dieren een veilige oversteek te bieden.

Na nog een beproeving, het oversteken van water via een gladde houten balk, bereiken we onze bestemming. Aan de hoopjes poep ziet Bosma dat veel dieren de passage gebruiken. Hij buigt voorover en wijst naar een zwarte substantie. “Dit hier is van een marter, hun uitwerpselen zijn in de vorm van een hoefijzer. Dat is nu niet zo goed te zien omdat het oud en verregend is. Daardoor is ook niet te zeggen of het stront van een boom- of steenmarter is. Bij verse poep ruik je het verschil, een boommarter ruikt zoetig en een steenmarter vies. Maar dit is bijna zeker van een steenmarter, die zijn minder zeldzaam en passen beter in deze omgeving.” Bosma constateert en passant de aanwezigheid van vossenuitwerpselen, maar dat is nu niet interessant, hij speurt naar iets anders. Een paar tellen later heeft hij het gevonden. Zoals gehoopt en ook wel verwacht, ligt er bij de passage otterpoep. Voor een leek lijkt het op een hoopje modder met gruis. Gruis dat na wat gepeuter duidelijk visschubben blijken te zijn. >>

 

Zwemles

De vondst bevestigt nogmaals dat er in het Koningsdiep otters zwemmen. Dat is bijzonder, want zoveel van deze slimme en speelse dieren zijn er niet. In Friesland staat de teller op 45. De meeste leven in het merengebied maar ook in De Deelen en De Alde Feanen doen ze het goed en brengen daar jongen groot. De vrouwtjes zorgen alleen voor de jongen. Ze zoeken een rustige en veilige plek zoals rietbedden, holle bomen of ondergrondse holten en krijgen meestal twee tot drie grijsbehaarde blinde jongen. Na ongeveer tien dagen openen de ottertjes hun ogen en snel daarna krijgen ze zwemles. Na tien maanden tot een jaar worden de jonge dieren aan hun lot overgelaten, ze zijn dan geslachtsrijp en zelfstandig.

Dat er otters in de Friese wateren rondzwemmen is niet vanzelfsprekend. In de vorige eeuw verdween het grootste waterroofdier van Nederland. Vervuiling, jacht, verkeer en fuiken werden de soort fataal. In 1988 werd bij Joure de laatste Nederlandse otter doodgereden. In 2002 startten natuurorganisaties in Nationaal Park Weerribben (Noordwest-Overijssel) met de herintroductie van zo’n veertig beesten. Inmiddels is dat aantal gegroeid tot ongeveer tweehonderd.

21 dode dieren

“Het Koningsdiep is een prachtig gebied voor een otter”, zegt Bosma terwijl hij over het water tuurt. “Er is genoeg voedsel en rust. En kijk die rietkragen, die zijn ideaal voor goede beschutting. Ook in de Nieuwe Vaart zwemmen ongetwijfeld af en toe otters. Water met zulke natuurlijke oevers wordt door otters gebruikt om te jagen of voor doortrek, maar niet zoals in De Deelen voor het grootbrengen van jongen. In De Deelen werden overigens al in 2003 otters gesignaleerd en een jaar later werden ook hier, bij het Koningsdiep, ottersporen gevonden.”

Bosma verzamelt voor Friesland de otterwaarnemingen. In zijn vrije tijd zoekt hij sporen en zet hij cameravallen. Hij weet precies waar hij moet zijn want als de flora- en faunamedewerker van het Wetterskip kent hij bij wijze van spreken alle sloten en meren van de provincie. Daarnaast krijgt hij meldingen van de muskusrattenvangers en van collega’s bij Staatsbosbeheer en It Fryske Gea. Alle gegevens stuurt hij door naar de Zoogdiervereniging en Alterra, een onderzoeksinstituut van de Wageningen Universiteit. Uit de monitoring blijkt dat veel otters vroegtijdig doodgaan. “Aflopen jaar had ik 21 dode dieren. Verdrinking in fuiken maar vooral het verkeer zijn belangrijke doodsoorzaken. Otters zijn daarom enorm geholpen met faunabuizen.”

Latrine dicht bij huis

De zompige vlakte van Van Oordt’s Mersken oogt verlaten en triest, maar schijn bedriegt. Bosma loopt naar een betonnen constructie voor de in- en uitlaat van water. Dieren gebruiken dit soort opvallende elementen in het landschap vaak om hun aanwezigheid te laten blijken. En ja hoor, overal liggen visitekaartjes. Net als bij de faunapassage vinden we hier stront van de otter, de marter en de vos. De tocht gaat verder langs de oever van het Koningsdiep. Bosma stopt om de haverklap om op gaten in de grond te wijzen. “Kijk dit is het hol van een bruine rat en deze hier is van een steenmarter. Zoals je ziet heeft die de latrine dicht bij huis.” Even verderop in het veld ontwaart de spoorzoeker een net verschalkte kievit. “Vos”, is zijn commentaar.

Voor Bosma zijn deze vondsten niets bijzonders. Spannend wordt het pas bij de ontdekking van een otterwissel; een uitgesleten looproute. Het is een brede vaakgebruikte wissel. “Dit is van een heel actieve otter, dit duidt op meer dan doortrekken, deze is langer hier”, stelt de opgewonden Bosma. Als dat zo is, moeten er meer wissels zijn. En inderdaad, een paar honderd meter verder weer platgelopen riet. Het is een wissel met verse stront. Dit verse spul is geschikt voor DNA-onderzoek, daarom stopt Bosma het in een potje. Het onderzoek zal uitwijzen of het Koningsdiep ontdekt is door een nieuwe otter of dat een oude bekende de beek bezocht heeft. >>

 

Bijzonder otterboek

Donderdag 5 juli publiceert Harrie Bosma het boek De otter – van uitsterven tot nieuw begin. Aan de hand van talrijke schitterende foto’s en unieke (nacht)beelden van bewegingscamera’s biedt dit boek een boeiende kennismaking met de otter, zijn verschijning, gedrag en leefgebied. Daarnaast is het een levendig verslag van de belevenissen en waarnemingen in het veld van otterkenner Bosma. Het boek telt 96 pagina’s en kost 15 euro.