Nieuws

Jan Kuipers publiceert boek over ‘slimme kinderen’

Camera Sietse de Boer Potlood Wim Bras

Binnen het reguliere onderwijs is er plek voor vrijwel alle hoogbegaafde kinderen, is de overtuiging van Jan Kuipers. “Maar dan moeten leerkrachten wel de juiste dingen doen.” De onderwijsspecialist beschrijft in zijn onlangs verschenen handboek ‘KEI in hoogbegaafdheid’ hoe ze dat moeten doen.

De onderwijspraktijk zit zo in elkaar dat kinderen stapsgewijs brokjes kennis krijgen te verwerken. Voor de groep bovengemiddelden en hoogbegaafden, circa tien procent van de basisschoolpopulatie, past die aanpak niet, zegt Jan Kuipers uit Gorredijk. “Een deel van die groep snapt het systeem en voegt zich naar de leerkracht. Die kinderen noem ik ‘schoolslim’. Ze presteren op niveau, maar leren niks bij. De leerkracht haalt ondertussen zijn doelstellingen en denkt: ik doe mijn werk goed. Maar omdat de kinderen niet worden uitgedaagd, ontwikkelen ze geen leergedrag. Dat ‘hangmatleren’ breekt ze in een later stadium op.” Het andere deel van de groep noemt Kuipers ‘wereldwijs’, de kinderen die direct al het grote verband zien. Voor hen zijn de brokjes kennis die ze krijgen overbodig en saai. Hun ongeduld met de leerstof uiten ze in weerbarstig gedrag, of ze trekken zich terug en haken af. En zo krijgen ze het stempel lastig.”

Handelingsverlegen

Op veel basisscholen ontbreekt het aan kennis over hoogbegaafdheid, stelde Kuipers als onderwijsadviseur over de jaren vast. Hij wijst daarvoor twee oorzaken aan. De rigide inrichting van het huidige onderwijssysteem snoert de leerkrachten in een keurslijf van protocollen. Ruimte om werkelijk naar het kind te kijken en te luisteren is er nauwelijks. Maar leergedrag, het belangrijkste dat scholen kinderen moeten bijbrengen, valt niet te meten aan de hand van vooropgezette doelstellingen. Onderwijs berust volgens Kuipers op een unieke wisselwerking en is daardoor telkens weer anders. De leerkracht speelt er in de ideale situatie met zijn kennis en intuїtie op in. “Maar de herkenning en de vaardigheid om daarmee om te gaan moeten dan wel aanwezig zijn. Merkwaardig genoeg – we hebben het tenslotte over tien procent van de leerlingen – besteden de pabo’s nauwelijks aandacht aan hoogbegaafdheid. Ik geef weleens een gastcollege, maar daar blijft het bij. Leerkrachten zijn handelingsverlegen, wanneer ze de opleiding afronden.”

Onderpresteerder

Kuipers’ fascinatie voor hoogbegaafde kinderen begint in 1990 als een ouderpaar de schooldirecteur van De Twirre in Ureterp wanhopig aanklampt, ze weten niet wat ze met hun begaafde kind aanmoeten. “Ik schrok, hoogbegaafdheid was in die tijd nog een vaag begrip, ik had een onderpresteerder in de klas en het niet opgemerkt. Doe er iets mee, drongen de ouders aan.” Kuipers start een ‘plusklasje’ dat onder schooltijd de dorpsbibliotheek bezoekt om op allerlei onderwerpen de diepte in te gaan. “Bij hoogbegaafde kinderen moet je het knopje van het leergedrag zien te vinden. Door te experimenteren heb ik ontdekt hoe je dat aan kan zetten, destijds bood de schoolpraktijk daar nog ruimte toe.”

Via een postacademische studie en als onderwijsadviseur bij GCO Fryslân en later bij onderwijsadviesorganisatie Cedin, ontwikkelde Kuipers zich met de jaren tot de expert in Nederland. De huidige trend naar aparte scholen voor hoogbegaafden vindt hij niet de oplossing. “Ik beschouw het als een diskwalificatie van het regulier onderwijs. Dergelijke voltijdscholen zijn wellicht nuttig voor kinderen met een IQ van 145 of meer. Met de bijbehorende problematiek praat je dan over speciaal onderwijs voor superslimme kinderen. De overigen kunnen prima terecht op de gewone scholen, dat is beter voor hun sociale ontwikkeling. Met mijn boek geef ik leerkrachten de benodigde kennis en handgrepen om te kunnen vertrouwen op hun intuïtieve deskundigheid.”