Sport

Jeugd helpt jeugd bij LDODK

Camera Sietse de Boer Potlood Niels van Marle

Jeugdspelers helpen andere jeugdteams te trainen. LDODK/Rinsma Modeplein uit Gorredijk doet veel om op alle niveau’s het maximale plezier uit de sport te halen.

Dick Wever is al jaren betrokken bij de LDODK-jeugdopleiding. Dit seizoen coacht en traint hij de D1, assisteert bij trainingen van andere breedteteams binnen de jeugdafdeling en daarnaast houdt hij samen met Marjo de Haan ook nog de grote lijnen in de gaten. Een hele klus, maar vooral een prachtige uitdaging.

“We doen bij LDODK veel voor de jeugdteams. Alle ploegjes trainen wekelijks twee keer. Niet alleen de A1, B1, C1 en D1, maar bijvoorbeeld ook de A3 en de C3. En dan ook nog eens begeleid door twee, drie of zelfs vier trainers. Dat vinden we ook heel logisch. Iedereen betaalt dezelfde contributie, dus moet je er ook naar streven alle kinderen hetzelfde te bieden. Wel op ieders eigen niveau natuurlijk. Druk vanuit de breedte is ook nodig om spelers in een eerste team sterker te maken.”

Assistenten

LDODK streeft naar één hoofdtrainer per team, met twee of meer assistenten. “Op die manier verlagen we de drempel voor jeugdspelers om een ploegje te begeleiden. Ze hebben niet ineens alle verantwoordelijkheid en kunnen zelf in hun rol groeien.” Vaak wordt een assistent uiteindelijk zelfstandig jeugdtrainer. Dicks eigen zoon Timo bijvoorbeeld begon als assistent bij de jongste jeugd.  Inmiddels stuurt de zeventienjarige vier B-aspiranten aan die het trainerschap ontdekken. “Binnen LDODK is dit al heel normaal. Dat het heel bijzonder is horen we van andere verenigingen wanneer wij daar ons verhaal vertellen. Bij veel verenigingen is de bezetting van de jeugdteams een groot probleem. Bij ons is het ook niet eenvoudig, maar we slagen er wel ieder jaar in.”

Wachttijd

Trainen moet ook geen bezigheidstherapie met alleen maar schietspelletjes zijn, benadrukt Dick. “We bedenken oefeningen met een zo kort mogelijke wachttijd. Je hebt maar een uur trainen, dan is het zonde als daar veel tijd van verloren gaat met niks doen.” Zitten er vier kinderen in een team, dan hebben ze ook alle vier een bal en gaan ze met een trainer aan de slag. “Ze moeten voortdurend bezig zijn en worden uitgedaagd. Soms zetten we bij de D’s ook een seniorenpaal neer. Dan moeten ze aan de bak en dat willen ze ook.”

Lopen met de bal is bij korfbal uit den boze, maar kan volgens Dick op trainingen enorm leerzaam zijn. “Dan zetten we één aanvaller tegen twee verdedigers en dan mag de aanvaller dus gewoon vrijlopen. Ze staan eerst wel even raar te kijken, maar vervolgens gebeurt er iets en leren kinderen ruimte ontdekken. Daarin zoeken we impulsen.”

Ook in de coaching bij wedstrijden maakte LDODK een omslag. “Een beginnend trainer roept nog weleens ‘blijf bij je jongen of meisje’, maar dat willen we juist niet. De kinderen moeten de bal én de tegenstander zien. Wij moedigen kinderen aan om de bal te willen hebben.” Dat kost soms een tegendoelpunt, maar dat is ingecalculeerd. “Over een paar jaar zien we de resultaten van deze spelopvatting, daar zijn we allemaal van overtuigd.”

Indelingen

Bij iedere teamsport is het jaarlijks een heikel punt: de teamindelingen voor het nieuwe seizoen. Ook bij LDODK levert dat weleens discussies op. “Ouders hebben soms een ander beeld van hun kind dan de begeleiding. Dan gaan we het liefst persoonlijk het gesprek aan. Dan zijn dingen vaak beter uit te leggen en kweek je makkelijker begrip voor elkaar.”

Maar bij LDODK is het geen automatisme dat een kind dat het ene jaar in de E2 zit na de zomer doorstroomt naar E1. “Sommige ouders verwachten dat wel, maar er zijn zoveel factoren waar we rekening mee houden.” In april ligt er een ruwe schets van de indelingen voor het volgende seizoen. Daarna volgen gesprekken met de trainers en coaches van de teams. “Dat is in onze ogen ook een stukje waardering voor de trainers. Hun mening telt echt mee, zij hebben het hele seizoen met de kinderen te maken gehad.” Daarna volgt de conceptindeling, kan de technische leiding nogmaals feedback leveren, en vervolgens volgt de definitieve vorming van de teams. “Dat proces duurt vier maanden. Ook daarna komen er nog wel opmerkingen, al was dat dit jaar minimaal.”

Kleine teams

Teams zijn zo klein mogelijk. In de E- en F-jes spelen maximaal vijf kinderen. “Een bewuste keuze. Natuurlijk heb je dan weleens krapte. Maar we hebben het ook meegemaakt dat ploegjes die op papier ruim in de spelers zaten, telkens tekort kwamen. Ouders dachten dat er toch wel genoeg waren en zeiden eenvoudig een wedstrijd voor hun kind af. Nadat we dat hebben veranderd, ging het aantal afzeggers ook omlaag.” Met het verantwoordelijkheidsgevoel zit het dus wel goed.

Dick realiseert zich dat LDODK een zekere luxe heeft. “Het scheelt dat je iets te kiezen hebt, maar dat schept ook verplichtingen. Je moet de organisatie op orde hebben en de norm ligt hoog. Bij de prestatiegerichte teams, maar ook bij de ploegen die gewoon lekker willen genieten van korfballen. De hoge opkomst op de trainingen, ook bij de breedtesportteams, is voor mij de bevestiging. Ik zie óók onze B3 en C4 wekelijks volop plezier maken en tot het uiterste gaan. Dat is waar je als vereniging voor moet staan.”