Nieuws

Johan de Jong: hoeder van de kerkuil

Camera Sietse de Boer Potlood Wim Bras

Johan de Jong wil niet als redder van de kerkuil te boek staan. Dat doet geen recht aan alle anderen die zich al veertig jaar voor het behoud van de kwetsbare vogel hebben ingezet. Maar vraag het anderen en ze wijzen allemaal naar de man uit Ureterp. Zonder zijn jarenlange onderzoek en vindingrijke beschermingsplannen was de kerkuil nog steeds aanvoerder van de Rode Lijst van bedreigde soorten. Of misschien nog erger.

Autorijders op de A7 kennen ongetwijfeld de rij houten staken die alweer enige tijd ter hoogte van Beetsterzwaag langs de snelweg opduiken. De palen met dwarsliggers staan over een lengte van drie kilometer naast de hectometerbordjes. De groene bordjes fungeren normaal gesproken als jachtzit voor de kerkuilen, vanwaar ze in rechte lijn op hun prooi afvliegen om er daarna weer terug te keren. Vanwege de lage vlieghoogte bekopen de uilen dat maar al te vaak met de dood. Ze vallen zelf ten prooi aan het voorbij zoevende snelverkeer of aan de aanzuigende werking van vrachtwagens. Op de hogere zit, wat verder van de weg af, maken de kerkuilen beduidend meer kans op overleving. Een op de hectometerbordjes geplaatste ‘roller’ zorgt ervoor dat ze daar geen grip hebben, het dwingt hen de juiste keus te maken.

Het idee voor de beschermingsmaatregel komt uit de koker van uilenkenner Johan de Jong. Na lang praten wist hij de diensten van Rijkswaterstaat over te halen tot de proefopstelling. In het verleden kwam het voor dat De Jong alleen al op het stuk bij Beetsterzwaag meer dan dertig dode kerkuilen aantrof. “De brede bermen langs de snelwegen worden min of meer ongemoeid gelaten en herbergen daardoor veel muizen. Vooral jonge kerkuilen komen eropaf, zeker als het achterland weinig voedselrijk is.” Sinds de twee jaar dat de staken er nu staan, heeft hij slechts twee verkeersslachtoffers geteld. Rijkswaterstaat is inmiddels zo enthousiast dat het overweegt de proef uit te breiden naar de Flevopolder en de Veluwe. Vanzelfsprekend is De Jong blij over de uitkomsten tot nu toe. Maar het experiment aan de A7 toont volgens hem vooral aan dat beschermingsmaatregelen alleen zin hebben als die steunen op kennis over gedrag en ecologische omstandigheden. “En dan hebben we nog het nodige te doen.”

Foto: Johan de Jong

Nest van vijf

De kerkuil en Johan de Jong, ze gaan ver terug. Al in zijn vroegste jeugd vat hij in het land achter de ouderlijke boerderij in Drachten een grote liefde voor vogels op. Op de lagere school wordt zijn passie in de klas bij meester Baarda nog eens verder aangewakkerd. “Master Baarda is voor veel oudere Drachtsters een begrip. Hij was een veldbioloog die als het even kon zijn leerlingen mee naar buiten nam om aanschouwelijk onderwijs te geven.” Als De Jong zelf de opleiding volgt voor biologieleraar loopt hij stage bij Douwe Franke uit Earnewâld, nog iemand die kinderen de natuur in sleept om ter plekke het leven te bestuderen. Naar zijn voorbeelden doet De Jong hetzelfde als hij in de jaren zeventig een aanstelling krijgt aan het Drachtster Lyceum. In zijn leslokaal installeert de jonge leraar onder andere een groot aquarium met stekelbaarsjes en hij weet zijn leerlingen zo gek te krijgen om vijf uur ’s morgens op te staan om met hem mee het veld in te trekken. Ringen en onderzoek naar de vogelstand zijn nodig, want al in die tijd komen de nadelige effecten van de ruilverkaveling aan het licht.

Naast zijn baan verdiept De Jong zich aan de universiteit verder in de biologie. Zijn onderzoeksonderwerp krijgt hij op een dag door een van de leerlingen zomaar in de schoot geworpen. Thuis op de boerderij in Beetsterzwaag zit een nest met piepjonge kerkuilen, als meester wil komen kijken is hij welkom. Zonder ladder klimt De Jong via de binten zeven meter omhoog naar de nok van de boerenschuur. “Plotseling stond ik oog in oog met vijf jongen in het nest achter het ûlebord. Ik was meteen verkocht. En ik had mijn onderwerp voor wetenschappelijk onderzoek: de broedbiologie van de kerkuil.” Boer Poppinga heeft geen bezwaar dat hij een provisorische tent ophangt onder het schuurdak van waaruit hij met een rode lamp de gedragingen in het nest kan bestuderen. Veertig nachten lang zit De Jong zo op drie meter afstand, hij noteert nauwkeurig wat het ouderpaar aan voedsel binnenbrengt en in welke volgorde de jonge uiltjes te eten krijgen. Kerkuilen zijn honkvast. Het jaar erna zit De Jong vijftig nachten met de neus bovenop het nest, vanaf het moment dat de ouders voorzichtig de eieren aanpikken tot de dag dat ze de jongen dwingen zelfstandig uit te vliegen. Overdag geeft hij gewoon les op school, de opwinding over de onderzoeksresultaten vergoedt het tekort aan slaap.

Foto: Johan de Jong

Alarm

In die tijd, rond 1979, luidt Sjoerd Braaksma van Staatsbosbeheer de noodklok over de zorgwekkende staat van de kerkuilpopulatie. Nederland telt dan nog maar honderd broedparen, slechts acht daarvan bevinden zich in Friesland. De Jong: “Achtennegentig procent van het voedsel van de kerkuil bestaat uit muizen en die gedijen vooral in ruige akkerranden en in boomwallen. Dat halfopen landschap verdwijnt als gevolg van de schaalvergroting.” Maar er zijn meer oorzaken te noemen voor de dramatische daling: de verkeerstoename, maar ook de strenge winter van 1979. “Als gevolg van de langdurige sneeuwval bleven de muizen onder de grond en lieten zich niet zien. De kerkuil is een fragiele vogel met weinig vetopbouw, die weet hooguit drie dagen zonder voedsel te overleven.” De gealarmeerde Vogelbescherming neemt het initiatief tot een ringprogramma, maar het is volgens De Jong vooral aan de inspanningen van de onvermoeibaar rondreizende Braaksma te danken dat zich 1.250 vrijwilligers melden. Het ligt dan ook voor de hand dat de Staatsbosman de taak van landelijk coördinator krijgt toebedeeld. Maar daar denkt zijn werkgever anders over, Braaksma wordt teruggefloten. En zo klopt de Vogelbescherming bij De Jong aan.

Te netjes

Om structuur aan te brengen stelt De Jong per provincie een aparte coördinator aan en start hij een nieuwsbrief waarin de vrijwilligers elkaar op de hoogte kunnen houden over de vorderingen. Op grond van zijn wetenschappelijke inzichten schrijft De Jong daarnaast een soortenbeschermingsplan, met als belangrijkste aanbeveling het installeren van zoveel mogelijk nestkasten. “Kerkuilen broeden op de gekste plekken en voelen zich thuis op rommelige boerenerven en in ouderwetse stallen waar ze in en uit kunnen vliegen. Maar die verdwenen beetje bij beetje, we zijn te netjes geworden. De nestkasten, mits vakkundig geplaatst, vangen dat gemis enigszins op.” Door de nestkasten telkens aan te passen en te verbeteren weten de vrijwilligers ook de dreiging van predatoren als de steenmarter te minimaliseren. Inmiddels staat de landelijke teller op 12.000 kasten, waarvan alleen al 1.650 in Friesland. Alle inspanningen leiden tot een opmars van de kerkuil, met als top 3.500 broedparen in 2015. Vanaf dit jaar prijkt de soort dan ook niet langer op de Rode Lijst.

De vrijwilligers kunnen zich nog zoveel moeite getroosten, als de muizenpopulatie dramatisch daalt, vindt dat direct zijn weerslag op het aantal kerkuilen, aldus De Jong. Hij maakte daarom een aparte studie van de voorkomende muizen in Friesland en deed daarbij opmerkelijke ontdekkingen. Zo kent het kleigebied in het noordwesten slechts twee verschillende soorten, op de zandgronden in het zuidoosten leven er daarentegen acht. Het gegeven verklaart deels de voorkeur van de kerkuil voor het veen- en zandgebied. Met de kanttekening dat door de diepteontwatering de veengronden aan muizenkwaliteit inboeten, de prooien voor de kerkuil zich dieper onder de grond verschuilen en zich daardoor lastiger laten vangen. De Jong pleit daarom voor het verruigen van perceelranden om de muizenrijkdom op peil te houden. Een beetje bijvoeren met graan zou in strenge winterperioden niet verkeerd zijn. “De muizenpopulatie ondergaat een cyclus van vier jaar. Na drie opbouwende jaren komt het in het vierde jaar tot een hoogtepunt, waarna het aantal weer inzakt. De muizenplaag van 2014 leidde zo tot het grote aantal broedparen van de kerkuil in het jaar daarna. Het blijft een precair evenwicht.”

Foto: Harry Fiolet

Nieuw gevaar

Al met al kun je stellen dat het redelijk goed gaat met de kerkuil. Maar er dreigt een nieuw gevaar, aldus De Jong. “De vrijwilligersgroep vergrijst. Er is aanwas nodig om alle nestkasten te kunnen blijven controleren en jaarlijks schoon te maken.” Om jongeren bij het wel en wee van de kerkuil te betrekken geven hij en de anderen regelmatig workshops waarbij uiltjes worden geringd en braakballen worden uitgeplozen. Of het enthousiasmeren volstaat, moet de tijd uitwijzen.  “Wat dat aangaat, ben ik ook tegen de verhoging van de AOW-leeftijd. We kunnen iedereen gebruiken om ervoor te zorgen dat de uilen en de weidevogels ons leven blijven verrijken.”

 

Nieuw boek ‘De Kerkuil’

In het pas verschenen ‘De Kerkuil’ beschrijft Johan de Jong hoe hij de passie van zijn leven op het spoor kwam en waarom de uilensoort hem al na alle jaren nog steeds blijft fascineren. Op toegankelijke wijze verhaalt hij over zijn wetenschappelijk onderzoek naar het gedrag en de leefomstandigheden van de vogel. Het boek doet daarnaast verslag van de succesvolle beschermingsoperatie waardoor de kerkuil uiteindelijk van de Rode Lijst werd geschrapt. ‘De Kerkuil’ (24,95 euro) is te koop bij boekhandel Planteyn in Gorredijk of te bestellen bij de schrijver zelf: jongrans@hetnet.nl.