Cultuur

Kleding van toen inspireert tot kunst van nu

Camera Sietse de Boer Potlood Wim Bras

Museum Opsterlân herbergt zoveel meer dan het kan laten zien. Neem nu de uitgebreide collectie kledingstukken uit voorgaande eeuwen. Hoe voorkom je dat die door ruimtegebrek alleen maar ligt te verstoffen? Op de zomerexpositie ‘Stof tot Nadenken’ is te zien hoe zestien kunstenaars het ‘oude goed’ in een hedendaagse jas steken.

Hoeveel kledingobjecten het museum wel niet in depot heeft? Toch zeker over de duizend stukken, schat museumcoördinator Jacqueline Verhoef. “Mieneke Veenstra is de enige die het geheel overziet, ze houdt zich al tientallen jaren met de collectie bezig.” Onder aanvoering van vrijwilliger Mieneke ging het museum de afgelopen tijd door de rijke textielverzameling om de adellijke japonnen, geborduurde nachthemden, arbeiderskielen, jakjes en borstrokken te catalogiseren voor het digitale archief van museum.frl. Inmiddels staan zo’n zeshonderd items online. “Maar als er zoveel moois door je handen gaat, wil je er ook wat mee doen”, vertelt Verhoef.  “Met onze beperkte ruimte is de vraag altijd: hoe dan? Zo ontstond het idee om kunstenaars in ons textieldepot uit te nodigen. Ze lieten zich inspireren door de diverse objecten, om er vervolgens een eigentijdse interpretatie aan te geven. De inspiratiestukken en de originele objecten laten we nu samen zien in de expositie.”

Invalshoeken

Stof tot Nadenken kostte een jaar voorbereiding. Met als resultaat dat zestien kunstenaars, vrijwel allemaal met meerdere werken, hun licht laten schijnen over wat hen trof in de museumcollectie. Verhoef: “De verschillen in uitvoering en invalshoeken hebben mij verrast. Zo blijven de exposerende kantklossers heel dicht bij de kunstzinnigheid en vakmanschap van vroeger. Anderen als Alie Popkema en Louise Verhoef nemen de ambachtelijkheid weer als uitgangspunt om nieuwe kunst van te maken. En Wietske Lycklama à Nijeholt gaat beeldend helemaal los en laat de fantasie de vrije loop.”

De een-twee tussen hedendaagse kunstenaars en de museumcollectie is een mooi concept, vindt Verhoef. “Zo kunnen we ook onze verzamelingen zilverwerk, werktuigen, serviesgoed en aardewerk onder de aandacht brengen. Misschien wel deels met pop-upopstellingen in leegstaande winkeletalages, waarbij je kunstenaar en collectie koppelt aan een bepaalde ruimte.”

Ria Dokter

Borsthaartuintje

Wol, water, wrijving, een beetje zeep: meer heb je niet nodig om te vilten. “De techniek is eenvoudig en de mogelijkheden zijn eindeloos. Daarom bestaat het handwerk al drieduizend jaar.”

Ria Dokter uit Ureterp heeft niet veel woorden nodig om uit leggen wat haar zo aantrekt in de viltkunst. Ze maakt deel uit van de viltgroep ‘Flues’ die al vaker in Museum Opsterlân exposeerde. Ditmaal ging Ria niet aan de slag met kleurrijke wandtapijten, maar met ondergoed. “Het museum heeft nogal wat hemden en lange onderbroeken in de collectie. Ik vond het een uitdaging om met die simpele kledingstukken wat te doen. Want of je nu tot de adel behoorde of in het veen werkte, iedereen droeg gewoon een wollen hemd onder zijn kloffie.”

Bij het zien van de mannenhemden drong bij Ria meteen het beeld van borsthaar op. De kwaliteit van het museale ondergoed stelde haar echter voor een probleem. “Dichte stof is lastig te verwerken, om te vilten heb je een open structuur nodig zodat de vezels in elkaar kunnen haken.” Ook wilde ze geen louter masculien pronkstuk maken; het borsthaar van vilt moest harmoniëren met het oorspronkelijke handwerk. “Zo kwam ik op een ‘borsthaartuintje’. In het uit mijn hemd puilende borsthaar zitten bloemmotieven verweven die verwijzen naar de fijnzinnige werkjes van de vroegere naaisters.” Een reisbureaufoto van Nieuw-Zeelandse Maori’s met getatoeëerde billen bracht haar op het idee voor het oppimpen van lange mannenonderbroeken. “Vilten is ook een soort tatoeëren, maar dan met wol. In de stof heb ik donkerblauwe motieven verweven van Keltische origine, die vind ik weer wat verfijnder dan de Maoritekeningen.”

Ina Zijp

Coronatasje

Een ontwerp uitvoeren in kant kun je vergelijken met het leggen van een wiskundige puzzel, zegt Ina Zijp uit Gorredijk over haar ‘Coronatasje’. “Kantklossen is een ingewikkeld en bewerkelijk lijnenspel, je moet je hoofd erbij houden. Als je dan zo geconcentreerd bezig bent, bestaat er geen tijd.”

Kleedjes en kraagjes van smetteloos witlinnen garen;  zo denken de meeste mensen over kantwerk. De museumcollectie bevestigt dat ook. “Maar kantklossen is een ambacht dat je niet zomaar uit de losse pols kunt doen. Je hebt bestaande patronen nodig om tot resultaat te komen. Het ontwerpen van de patronen is weer een kunst apart.” Ina maakt deel uit van de landelijke ontwerpgroep Kanteon: acht vrouwen die met gebruik van eigentijdse materialen het kantklossen nieuw leven inblazen. De expositiebijdragen van de Kanteongroep, vooral driedimensionaal, contrasteren met het museumkant door kleurgebruik en de verwerking van kralen en steentjes.

Voor het ontwerp van haar beugeltasje putte Ina inspiratie uit een 18e-eeuws kinderjakje. “Het jakje is gemaakt van sits, een handbeschilderde stof. Het bloemmotief en de kleuren heb ik als uitgangspunt genomen om het lijnenspel uit te zetten in kant.” De beugel die ze in een tweedehands winkeltje op de kop tikte bepaalde de vorm. Het werken aan het tasje hielp haar weer door de coronatijd. “Om dat te benadrukken heb ik in de buitenrand een glimmend snoer minuscule uitsteeksels gekant.”

Ina Zijp.