Nieuws

Opsterland bomenland moet oppassen

Camera Sietse de Boer Potlood Wim Bras

Het goede nieuws: de essentaksterfte lijkt te stabiliseren. Het verontrustende nieuws: de eikenprachtkever is in aantocht. “Krijgt die plaagkever hier vaste voet aan de grond, dan moet eikengemeente Opsterland echt gaan vrezen voor haar bomen”, zegt Gauke Dam.

De bomenman uit Terwispel noemt de eikenprachtkever terloops aan het eind van het gesprek over massasterfte onder boomsoorten. Tot op heden houdt de keversoort nog vooral huis in Amerika, waar de larven, zich een weg vretend door de eikenstammen, hele bossen onttakelen. Maar ook in Nederland komt de eikenprachtkever voor en het is volgens Gauke slechts een kwestie van tijd voordat grootschalige aantasting hier optreedt. En net als eerder bij de iep, de es, de paardenkastanje en de fijnspar valt de plaag niet zomaar te keren. “Bij warme temperaturen verspreidt de kever zich razendsnel.”

Droogte

Oplopende temperaturen, daar wilde Sa! het juist over hebben met de projectleider van Iepenwacht Fryslȃn. Want bestaat er rechtstreeks verband tussen de opwarming van het klimaat en de om zich heen grijpende boomziektes zoals de essentaksterfte, de kastanjebloedingsziekte, de actuele massale sterfte onder fijnsparren door de vraatzucht van de letterzetterkever? Aan uitspraken over klimaatopwarming waagt Gauke zich niet. “In zijn algemeenheid gaat de kwaliteit van bomen al geruime tijd achteruit.” In de jaren tachtig dook het fenomeen ‘zure regen’ op als verklaring voor kalende boomkruinen. Volgens Gauke is het probleem nog niet uit de wereld. “Nu heet het stikstofdepositie, maar verdroging is de grootste bedreiging voor ons bomenbestand. Droogte verzwakt bomen, die daardoor minder weerbaar zijn voor externe factoren als schimmels en plaaginsecten.”

Letterzetter

Als jong broekie, net begonnen op het landgoed Harinxma State, leerde Gauke van de oude bosopzichter dat sparren en lariksen zouden verzuipen als ze niet op de opgeworpen hoogtes van de rabatpercelen stonden. “Nu is het andersom en loopt het water door de lage grondwaterstand weg uit de natuurgebieden.” Maar droogte is niet de enige reden voor bijvoorbeeld de groeiende aanwezigheid van de letterzetterkever in de sparrenbossen. “De letterzetter is al lange tijd in Nederland, maar daar merkten we niet zoveel van omdat we vroeger de bossen opruimden. Door ander beheer doen we tegenwoordig nauwelijks meer aan bosbouw, we laten oude en zieke bomen staan totdat ze vanzelf omvallen. De letterzetter heeft daardoor vrij spel. Voor de fijnspar is dat een probleem. Maar nieuwe soorten nemen de vrijgekomen plekken in en het bos wint zo aan diversiteit.” De aantasting van laanbomen en meer solitaire soorten veroorzaakt meer beroering. “Ik heb meegemaakt dat boomeigenaren in snikken uitbarstten als de zaag de dikke iep op het hiem omhaalde.”

Tien procent uitval

Door de massale sterfte onder iepen sloegen de Vereniging van Friese Gemeenten, het Wetterskip en natuurorganisaties in 2005 de handen ineen. Zo ontstond de Iepenwacht Fryslȃn. Alleen de vijf zuidoostelijke zandgrondgemeenten en Achtkarspelen deden niet mee omdat ze weinig iepen hadden. In 2007 kreeg Gauke de vraag om het project te stroomlijnen. “Ik werkte bij Landschapsbeheer en kende de omvang van het probleem: jaarlijks meer dan tien procent uitval. Friesland stond, vooral op de klei en de veengronden, vol met iepen.” De Iepenwacht leunde in het begin volledig op vrijwilligers. Om de inventarisatie op orde te krijgen, professionaliseerde Gauke de organisatie. Aangetaste iepen werden verwijderd om ziekteverspreiding zoveel mogelijk in te dammen. De stringente aanpak loonde, binnen vijf jaar schommelde het verlies rond de één procent, de norm voor natuurlijke uitval. “In 2011 begonnen we met grootschalige herbeplanting: voor iedere omgezaagde boom kwam een nieuw resistent exemplaar terug. In de afgelopen acht jaar zijn 13.500 iepen herplant.”

Draagvlak

De effectieve Friese aanpak valt ook in andere provincies op, Gauke doet regelmatig de werkwijze uit de doeken. Toch blijkt het elders moeilijk om de Friese reddingsoperatie te kopiëren omdat partijen bang zijn zeggenschap en middelen te verliezen. Bij acute nood grijpt men dan in met ad-hocmaatregelen, volgens Gauke vaak tegen hoge kosten en om vervolgens te wachten op de volgende uitbraak. Door de grote onderlinge verwevenheid tussen Friese overheden en betrokken organisaties werkt het hier wel, aldus Gauke. “Het gaat niet alleen om centen, het gaat om collectief draagvlak. Het helpt dat de Iepenwacht niet log en bureaucratisch is, ik ben de enige betaalde kracht.”

Verbreding

Het project Iepenwacht liep begin dit jaar na vijftien jaar eigenlijk af, maar alle betrokken partijen hebben bijgetekend voor nog eens tien jaar. Met dank aan een onderzoeksrapport van Wageningen Universiteit dat concludeerde dat de iepziekte niet is uit te roeien, maar wel te beheersen. Opheffen van de Iepenwacht zou de iepziekte binnen vier jaar weer op het niveau van 2005 brengen. “Bij de verlenging hebben provincie en gemeenten wel gezegd: wat kan de Iepenwacht nog meer doen? We richten ons nu ook op zieke essen en paardenkastanjes.” De projectleider verwacht dat de verbrede aanpak ook de strijd tegen toekomstige plagen zal omvatten. Of de naam dan nog wel de lading dekt? “De Iepenwacht is intussen wel een begrip.”

Boomziekten
Anders dan de iepziekte die door de import van hout al een eeuw in onze contreien rondwaart, is de schimmel die de essentaksterfte veroorzaakt recent door de lucht meegevoerd vanuit voormalige Oostbloklanden. Het eerste project van de Iepenwacht om essen te vervangen loopt inmiddels. Voorlopig onderzoek lijkt erop te wijzen dat de sterfte onder essen over het hoogtepunt heen is, aldus Gauke Dam. “Ik neig voorzichtig naar het advies zieke essen te laten staan.” Over de bacterie die op de bast van de paardenkastanje roestbruine vochtplekken achterlaat, is nog weinig bekend. Als het ‘bloeden’ van de plekken ophoudt, barst de bast open en sterft het blootgestelde stamweefsel af.