Nieuws

Razzia van Putten 75 jaar geleden

Camera Sietse de Boer Potlood Wim Bras

Terwijl steden en dorpen in het Zuiden de bevrijding van de Tweede Wereldoorlog vieren, staat Putten op 2 oktober stil bij de razzia van 75 jaar geleden. Ook Wytze Brandsma uit Gersloot loopt die dag rond met een steen in de maag. “Het zwijgen van mijn moeder en oma klinkt door tot op de dag van vandaag.”

Brandsma is van kort na de oorlog, hij heeft oom Wim nooit gekend. Wat hij in zijn jeugdjaren over de broer van zijn moeder te weten kwam, hoorde hij mondjesmaat en vertekend van oma die bij het gezin inwoonde. Zijn moeder wilde nooit over de dood van Wim praten. “Maar elk jaar rond 2 oktober lag over ons huis een deken van loodzwaar verdriet. Moeder was al weken van tevoren depressief. Als kind weet je niet wat je moet met dat onuitgesproken leed en die ingehouden verbittering. Dat gevoel van onmacht raak je nooit meer kwijt.”

Wereldverbeteraars

‘Putten’ drukte niet alleen op Brandsma een stempel, ook zijn vijf broers en zijn zus zijn erdoor getekend. “Maar daar praten we onderling niet over. Gevoelens hou je voor je, kregen wij in onze jeugd mee. Wel zie je bij ons allemaal een sterke drang om de wereld te verbeteren: de een als gevangenispredikant, de ander in de ontwikkelingshulp, ikzelf in het jeugdwerk.” Zoekend naar de opening voor het gesprek besloot Brandsma na zijn pensionering uit te zoeken wat er nu precies met oom Wim was gebeurd. Voor de familie maakte hij een boekje over zijn bevindingen. Het leidde er in ieder geval toe dat hij en zijn zus Els in naam van de Stichting Oktober 44 een krans hebben gelegd bij de herdenking in Neuengamme, het voormalige concentratiekamp waar oom Wim stierf van honger en uitputting.

Razzia

Net als zijn oudere zus Jacoba (Brandsma’s moeder) neemt de 27-jarige Wim Bönker zich voor na een noodgedwongen lange verlovingstijd direct na de bevrijding te trouwen. Het loopt anders. Daags na de nachtelijke hinderlaag van het plaatselijk verzet op 30 september 1944, met als doelwit een auto met Duitse officieren, pakt de Wehrmacht Wim op bij een razzia van ongekende omvang. Met nog 658 lotgenoten, waaronder vrijwel de gehele mannelijke bevolking van Putten, wordt hij op transport gezet. Eerst naar doorgangskamp Amersfoort, daarna volgt een helletocht langs verschillende concentratie- en werkkampen in chaotisch Duitsland. Enkele tientallen ontsnappen aan de dodentransporten. Van de overige 588 keren uiteindelijk slechts 48 man terug, vijf sterven kort na terugkomst alsnog aan de ontberingen. Wim bezwijkt al twee maanden na de razzia door uithongering en overmatige werkbelasting. De exacte datum: 16 december 1944, zo ontdekte Brandsma bij zijn naspeuringen.

Overwinningsroes

Volgens Brandsma hoort de Razzia van Putten thuis in het rijtje oorlogsmisdaden zoals die door de nazi’s zijn gepleegd in het Franse Oradour, het Italiaanse Marzabotto en de SS-terreur in Poolse dorpen. “Een buitensporig wrede en gewelddadige wraakactie die in geen enkele verhouding stond tot de aanleiding.” Bij de ‘padvinderachtige’ aanslag van het verzet komen een Wehrmachtsofficier en een verzetsman om het leven. Een tweede Duitse officier weet gewond een nabijgelegen boerderij te bereiken en slaat alarm, met de razzia als gevolg. Wie de opdracht tot de hinderlaag gaf, is nooit opgehelderd. “In het licht van de geallieerde opmars in het Zuiden was het een volkomen onzinnige actie. Vermoedelijk meenden een paar heethoofden, bevangen door de overwinningsroes, hun steentje te moeten bijdragen.”

Dominee

Putten zwijgt daarna, zoals ook de dominee zwijgt die met de andere overlevenden terugkeert. “De vrouwen van het dorp, mijn moeder en oma incluis, wilden van hem horen wat er met hun mannen was gebeurd en hoe het kon dat hij de verschrikkingen wel had doorstaan. De dominee had geen antwoord, waarschijnlijk was hij zelf te getraumatiseerd om hen te helpen. Niet lang na zijn terugkomst zou hij Putten verruilen voor een andere gemeente.” Het Rode Kruis bericht dat oom Wim waarschijnlijk in december in een werkkamp is gestorven. Maar Brandsma’s moeder en oma willen er niet aan. De hulporganisatie heeft alleen maar oog voor krijgsgevangenen en bekommert zich nauwelijks om gedeporteerden, luidt immers het wijdverbreide verwijt.

In 1946 trouwen Brandsma’s ouders en gaan in Dieren wonen. Oma, al voor de oorlog weduwe, en moeders jongere broer Sim van zestien blijven achter in Putten. “Het ging niet goed met die twee, oma was de weg kwijt en Sim leidde een losgeslagen leventje. Mijn ouders besloten hen in huis op te nemen.” Oom Sim zal Brandsma’s vader altijd dankbaar blijven dat hij hem weer tot studeren heeft aangezet. De ironie is dat vader voor zijn eigen kinderen de man op afstand blijft, vertelt Brandsma. “Zoals zoveel vaders in de wederopbouwjaren zorgde hij voor brood op de plank, de opvoeding liet hij grotendeels aan de vrouwen over.”

Moederskinderen en omakinderen

Oma bloeit op in het gezin, zijn moeder sluit zich af in haar verdriet. “Moeder legde zich uiteindelijk neer bij de dood van Wim. Oma heeft daar nooit in willen geloven, die had voor zichzelf een verhaal geconstrueerd waarbij Wim rondzwierf in het verre Rusland. Op een dag zou hij weer voor de deur staan.” De acceptatie en de ontkenning leidt tot stilzwijgen tussen de twee vrouwen. In hun gedachten is Wim altijd aanwezig, met elkaar erover praten kunnen ze niet. “Die spanning hing permanent in huis. We groeiden op met twee moeders, maar met beiden moest je omzichtig omgaan. De ene helft van de kinderen, waaronder ikzelf, trok naar oma; bij haar vond je nog een sprankje hoop. De anderen sloten zich bij moeder aan: niet klagen maar dragen. Alle zeven hebben we al op jonge leeftijd het ouderlijk huis verlaten.”

Zwijgen en doorgaan, het kenmerkte hun vader en twee moeders. “Je schept op die manier misschien ruimte voor jezelf, maar je doet je naasten tekort.” Met zijn vrouw Ank sprak hij ooit af om samen, naast deeltijdwerk, hun vijf kinderen op te voeden. “Maar net als bij mijn ouders liep ook dit anders, het hoofd te vol van idealisme, werk en studiezin.”