Cultuur

De Tocht door het beekdal Koningsdiep

Camera Jurjen Smid Potlood Arend Waninge Map LF2018

Van de bron bij Bakkeveen tot de brede Boarn bij Jirnsum. Het contrast is groot. Dat geldt ook voor het landschap en de theatrale voorstellingen die de deelnemers aan De Tocht krijgen voorgeschoteld. Maar de trots op het water, het dorp en de mienskip is overal even groot. Een verrassende reis door het toen, het nu en (een beetje) toekomst in de eigen achtertuin.

“Takomst en ferline kinne net sûnder elkoar. At wy mar net stean bliuwe. Amen.” Piter Hout zet al aan het begin van De Tocht de gedachten op scherp. Daar gaat het om op de theatrale tocht langs het eeuwenoude riviertje dat Boarn, Koningsdiep of Ald Djip heet. Het is maar net in welk deel je bent. Samen met zijn maat Piter Oalje onderhoudt hij al varend het ingescheepte gezelschap op De Boarn over de ‘kattekneppelers’ die in vroeger tijden Jirnsum terroriseerden.

Het is het begin van een lange dag vol verrassingen. Zaterdag en zondag reden iedere dag vier bussen door het beekdal van het Koningsdiep. Twee bussen begonnen hun tocht bij Allardsoog om vanaf de bron het riviertje stroomafwaarts te volgen. De andere twee bussen koersten in omgekeerde volgorde stroomopwaarts. Onderweg volop theater, cultuur, muziek en informatie. Komende zaterdag en zondag gaat de uitverkochte De Tocht op herhaling.

In Irnsum stapt Frank Cooper in de bus. Onderweg naar Akkrum verhaalt hij over zijn avonturen in het verre Amerika. Waar hij het zakelijk helemaal maakte, zonder zijn geboortedorp Akkrum ooit te vergeten. “Alle minsken binne myn bruorren”, houdt hij zijn gezelschap voor. Hij schonk Akkrum Coopersburg. Onder het motto ‘We make Akkrum great again’ is het centrum van het dorp uit waardering omgetoverd tot het New York van 1896. Veel Akkrumers lopen in historische kleding over straat. Flanerend of aan het werk. Ook Foppe de Haan doet mee. Strak in driedelig kostuum met warme hoed. Zijn vrouw Geke staat op de bleek in minder nette kleding de witte lange onderbroeken schoon te boenen. Zoals Cooper bij de bus al zei. “De mienskip komt my út de teannen.” Er volgt een uurtje om aan het Friese New York te ruiken. Losgelaten, als een gezelschap van een net aangemeerd cruiseschip.

Het contrast met de twee volgende halteplaatsen is groot. Over kronkelende wegen koerst de buschauffeur naar Aldeboarn, misschien wel de oudste nederzetting aan het riviertje. Wat volgt is een omgekeerde gondelvaart. Gezeten op strobalen varen de Tochtgangers per ponton door de oude dorpskern. ‘Noch altyd streamt it wetter troch de Boarn. It wetter út de djipte, it socht syn eigen paad’, zingen de Boarnsjongers vanaf de kant. De gidsen verhalen over de ‘tuorkemjitters’, een oude schaatsfabriek, de gezinsuitbreiding van dorpsgenoot Jorrit Bergsma en het bezoek dat toenmalig koningin Juliana in de zeventiger jaren aan het dorp bracht. Het dorp is uitgelopen en volgt de majesteit en het ponton op de wal. Aldeboarn, een pronkje waar je veel te vaak aan voorbijrijdt.

Weer in de bus gaat het naar Nij Beets. In It Damshûs volgt het oude en al zo vaak vertelde verhaal van de turfmakers. Maar de Beetsters tonen zich weer ware artiesten door er een heerlijke draai aan te geven. Voelde het gezelschap zich in Akkrum misschien nog cruisetoeristen, in Nij Beets worden ze in no-time ingelijfd bij de arbeiders van veenbaas Toering. Het is een staaltje volksmennerij eerste klas. Een deelnemer roept nog stoer: “Dit is de earste en de lêste keer dat ik yn Nij Beets kom.” Anderen roepen binnen een minuut uit volle borst “Ja baas, nee baas”. En nog geen twintig minuten later is het publiek door de turfarbeiders opgezweept, gaat de vuist de lucht in en wordt uit volle borst om een staking geschreeuwd. De mens laat zich makkelijk verleiden.

Van het arme Nij Beets naar het rijke Beetsterzwaag, via een omweg over Tijnje en Terwispel. Steeds op zoek naar het Koningsdiep en bijbehorende zijstroompjes. Jonkheer Tinco Lycklama à Nijeholt wacht het gezelschap op met zijn Franse hulp en een koor vol zang uit de Oriënt. In optocht gaat het met verhuisdozen naar het oude gemeentehuis, waar twee zalen al zijn ingericht met de artefacten van wereldreiziger Tinco. De vrijwilligers hebben nog twee dagen hard werken voor de boeg tot de grote Tinco-tentoonstelling woensdag wordt geopend.

Laatste stop is Bakkeveen, dat het over een hele andere boeg gooit. De burgemeester van Banevka wacht de bus op aan de dorpsgrens en begeleidt het gezelschap onder bewaking naar een caravanstalling aan de Weverswal. Hier wacht een korte sketch over dreigend gevaar: Banevka aan zee. En hoe komt de bevolking dan aan voedsel? In Banevka weten ze de oplossing: groenten uit eigen dorpstuin en hamburgers met zeewier. De clou van het geheel werd niet helemaal duidelijk, al maakt De Weach indruk: een imposante hoeveelheid plastic verwerkt in een kunststof kunstwerk. De net geplante komkommer-, tomaten- en bonenplanten beginnen het plastic al voorzichtig te overwoekeren. Het levende kunstwerk moet er in september helemaal groen uitzien. Het groen dat het plastic overwoekert. Was het maar zo’n feest. De actualiteit van vandaag is omgekeerd.

Het is het slotstuk van een boeiende tocht langs een eeuwenoud riviertje dat laat zien dat het nog steeds leeft. Of zoals de Boarnsjongers in Aldeboarn al zongen: ‘It wetter dat ús troch de tiid sa’n wurk en wille brocht.’