Nieuws

Weer tientallen jonge ooievaars

Potlood Arend Waninge

Uniek zijn ze, de ooievaars die nestelen langs de Sweachsterwei tussen Lippenhuizen en Beetsterzwaag. Met dertig broedparen is het de grootste kolonie van Friesland die de jongen geheel op eigen kracht grootbrengt. Dit jaar zijn er 57 jongen geteld.

De ooievaars zijn niet te missen. Zitten ze niet op het nest, dan zie je deze grote vogels wel ergens hoog in de lucht zweven of statig door het weiland lopen. Het beeld typeert deze omgeving al eeuwenlang. Een fotogeniek beeld, weet Gjalt Tjeerdsma. Pontificaal op de schoorsteen van zijn boerderij nestelt een paar. “Kilometers fotograferende mensen trekken voorbij, onlangs stopte er nog een Deense bus vol toeristen. Helaas stopt niemand om de ramen te wassen, want zo’n nest geeft veel shit.” Tjeerdsma deed van alles om te voorkomen dat er ooievaars zouden komen. Hij probeerde ‘duivenpinnen’ en spande draden, maar het mocht niet baten. Vier jaar geleden werd zijn schoorsteen bezet en sinds twee jaar zit er ook een paar op een lege kunstmestsilo. Gelukkig voor de ooievaars blijft de silo leeg, Tjeerdsma gebruikt als ecologische boer geen kunstmest meer. Als er een ooievaar op de silo bij zijn of haar partner landt, is het een geklepper van jewelste. Een goed teken zou je zeggen, maar de boer kijkt bezorgd. “Dit nest heeft vorig jaar geen jongen voortgebracht en nu zie ik ook geen beweging meer in het nest. Op zo’n warme dag als vandaag zouden de kleintjes af en toe hun kop omhoog moeten steken om zo water te krijgen van hun ouders.” Het nest op de schoorsteen is wel elk jaar succesvol en Tjeerdsma vindt dat prachtig. “Die nesten zijn mij overkomen en die horen blijkbaar bij het geheel. Dat heb ik geaccepteerd, ik geniet er nu van.”

De comeback
Jarenlang was het kantje boord met de ooievaar en dreigde de ‘brenger van nieuw leven’ alleen zichtbaar te zijn als houten mascotte in een tuin. Na de Tweede Wereldoorlog ging het namelijk bergafwaarts met de ooievaarsstand. Grootschalige ruilverkaveling, ontwatering van de weilanden en het gebruik van bestrijdingsmiddelen zorgden voor een neerwaartse spiraal. In 1939 telde Nederland nog 316 broedparen, waarvan 58 in Friesland. In 1972 was dit aantal geslonken tot zestien. In dat jaar verdween in Luxwoude het laatste broedpaar van Friesland. Toen was men in Beetsterzwaag al lang gewend aan een landschap zonder ooievaars. Daar werd vanaf 1947 geen nest meer bewoond. Pas in 1998 broedde er weer een stel op een nestpaal, die 52 jaar lang in stand werd gehouden in de hoop op een eventuele terugkeer van de opvallende vogel. Sindsdien is het aantal broedparen rond Beetsterzwaag met hink-stap-sprongen gegroeid tot dertig.

De comeback van de ooievaars is vooral te danken aan inspanningen van Vogelbescherming Nederland. De vereniging startte in 1969 met het fokken van ooievaars, in Ooievaarsdorp Het Liesvelt bij Groot-Ammers. De gefokte dieren werden later over het land verspreid in zogenaamde buitenstations zoals bij Earnewâld, Akmarijp en Spanga. Het succesvolle herintroductieprogramma resulteerde in ruim negenhonderd broedparen in Nederland op dit moment. In Friesland vliegen weer zo’n honderdvijftig stellen rond, waarvan dus een aanzienlijk deel de omgeving van Beetsterzwaag als domicilie kiest. Voor ooievaarkenner Haye Folkertsma uit Boazum is het een unieke kolonie. Het is de grootste groep in Friesland die geheel op eigen kracht nesten bouwt en jongen grootbrengt. “Nederland heeft vooral ooievaars op paalnesten, maar van nature broeden ze gewoon in een boom. Dan kiezen ze een geschikte plek en beginnen met takken te gooien, zodat er houvast voor een nest ontstaat. Dat zie je nog in Beetsterzwaag.” De natuurontwikkeling rondom het Koningsdiep is volgens Folkertsma van grote invloed op de terugkeer van de ooievaars. Er is een leefgebied ontstaan met volop voedsel.

Misvatting
Ooievaars houden van een open landschap met hier en daar bomen en niet al te hoge begroeiing. Ook een niet te intensief graslandgebruik, slootkantbeheer en vooral hogere en wisselende grondwaterstanden zijn belangrijk. “Je moet zorgen voor een rijk bodemleven want dat garandeert de ooievaar een volle menukaart”, aldus Folkertsma. “Ze eten veel regenwormen, grote kevers en slakken. De grotere prooien zijn muizen en mollen, maar kikkers vangen ze eigenlijk weinig. Daarover bestaat echt een misvatting.” De ooievaar als bedreiging van de weidevogels noemt Folkertsma ook een misvatting. “In de omgeving van Beetsterzwaag daalde de weidevogelstand tussen 1980 en 2000 fors, terwijl daar toen geen enkele ooievaar te bekennen was. Nee, de achteruitgang van de weidevogels heeft alles te maken met de intensivering van de landbouw.” Staatsbosbeheer, dat in de gemeente Opsterland veel weidevogelgebieden bezit, heeft eenzelfde opvatting. “Maar ooievaars zijn wel grote rovers die een kuiken niet links laten liggen,” meldt boswachter Bennie Henstra. “Daarom ontmoedigen wij het plaatsen van paalnesten in de buurt van onze weidevogelgebieden. Met die gebieden gaat het overigens goed. Doordat we de terreinen geschikter maken zien we daar vanaf 2008 een toename van het aantal weidevogels.”

Een grote uitbreiding van het aantal ooievaars rond Beetsterzwaag ziet Folkertsma niet gebeuren. De kolonie is de laatste vier jaar ook stabiel. De grootste stijging van vijftien naar vijfentwintig broedparen dateert alweer uit 2010. Toename van de populatie is alleen mogelijk als er gemiddeld meer dan twee jongen per nest uitvliegen, maar de kans daarop is klein. Zo leverden de dertig nesten in 2013 maar 27 jongen op. De afgelopen twee jaar ging het beter, toen telde men respectievelijk 62 en 63 jongen. Onlangs stapte Folkertsma weer in de hoogwerker voor de jaarlijkse telling. Hij noteerde 54 jongelingen die als het goed gaat, dit najaar naar Spanje of Afrika vliegen. ooievaars.nl