Nieuws

Jelle Terluin koos er voor te vergeven

Map Gaswinning

Van z’n vierde tot zevende jaar zat Jelle Terluin (77) opgesloten in Jappenkampen. Hij zag er de wreedheid van de Japanners en onderging systematische uithongering. “Mijn moeder schreef later in een brief dat als het langer had geduurd, we er allemaal aan waren gegaan.”

“Wat op mij de meeste indruk maakte, was het appèl in Batavia. Tienduizend vrouwen en kinderen, die zich in de hete zon in rijen moesten opstellen. Urenlang moesten we stilstaan, bij een temperatuur van veertig graden. Zonder water. Een marteling. En dan paradeerden de kampcommandant en z’n adjudant langs en riepen ze: kéré! Kéré! Buigen! Ik hoor het nu nóg. Wij, zo mager als een lat, moesten buigen voor die dikzakken, als eerbetoon aan de Japanse keizer. En als je niet boog, werd je kaalgeschoren of doodgeknuppeld.”

Jelle Terluin werd in 1938 geboren op Noord-Sumatra. Zijn vader Wim was tien jaar eerder door de Bataafsche Petroleum Maatschappij (later Shell) in het toenmalige Nederlands-Indië aangenomen als boekhouder. In 1929 trouwde Wim met zijn verloofde Aaf. “Met de handschoen, zoals dat toen wel gebeurde. Zij in Witmarsum, hij in Tjepoe.” Aaf voegde zich later bij Wim en ze kregen drie kinderen: Bert, Tiny en Jelle. “In die tijd leidden we een comfortabel leven. M’n moeder had een kokkie, een babu – een kinderjuf -, een huisjongen en meer dienstpersoneel. De Europese vrouwen hoefden daar niets te doen. Ze gingen naar de soos, tennisten of reden paard. Ik herinner me ook dat we vaak naar het zwembad gingen.”

Tjihapit
Maar aan die luxe kwam een eind toen de Japanse luchtmacht in 1941 de Amerikaanse vloot in Pearl Harbor aanviel en Japan vervolgens delen van Azië bezette, waaronder Nederlands-Indië. “Mijn vader werd opgeroepen voor militaire dienst. Later werd hij krijgsgevangen gemaakt in Sumatra en naar Birma gevoerd. Hij werd tewerkgesteld aan de spoorbrug over de rivier de Kwai, maar kwam in de ziekenboeg terecht. Daar heeft hij drie jaar gelegen.” Aaf en de kinderen werden overgebracht naar een kamp. “We werden met duizenden anderen – Europeanen, Engelsen, Australiërs­  – opgesloten in Tjihapit, een wijk van Bandung. Er kwam een bamboe omheining omheen. We deelden een huis waar oorspronkelijk één gezin woonde met 40, 50 vrouwen en kinderen.”

Het leven in het kamp was behelpen. Dagelijks voorzag de gaarkeuken in één maaltijd van rijst met groenten. Veel water was er niet. De vrouwen deden van alles om aan meer voedsel te komen. Ze verbouwden zelf groenten en ruilden via een gat in de omheining met mensen buiten het kamp ringen, kettingen en andere kostbaarheden voor rijst of eieren. Koken op gas of elektriciteit mochten ze niet, dat was te duur. Soms werd er stiekem toch gas of stroom afgetapt en als dat werd ontdekt was de straf zwaar. “Eén vrouw werd gedwongen om met zware kookplaten om haar nek door het kamp te lopen. Er hing een bord aan waarop stond: Ik heb elektriciteit gestolen van de Japanners. Als ze in elkaar dreigde te storten, kreeg ze klappen.”

Honger
De kleine Jelle zag het allemaal aan. “Als kind ervoer ik de omstandigheden anders dan een volwassene. Voor mijn moeder moet het verschrikkelijk zijn geweest dat wij honger leden. Maar ik wende eraan, denk ik. Dat de Jappen wreed waren zag ik wel. Ik herinner me dat soldaten een paraplu kapotsloegen op een tienermeisje. Een andere keer liep ik langs een boom waaraan een meisje hing. Ze was aan haar armen opgehangen en kon maar net met haar tenen op een voetenbankje wiebelen. Ik dacht: oei, dit is niet goed. Toch was ik nooit bang. Ik wist dat mijn moeder geen risico’s nam die straf zouden uitlokken. Ik voelde me veilig omdat zij er was.”

Jelle zag het kampleven op dat moment als een avontuur. “Ik zwierf door het kamp en ging op onderzoek uit. In een leeggeroofd huis vond ik een oude kinderwagen waarmee ik door de straat racete. Een andere keer kwam ik thuis met een metalen ding met draaiend vliegwieltje. Geef die maar aan mij, zei m’n moeder, die komt vast nog wel van pas. En inderdaad, toen na de bevrijding de Australiërs en Engelsen zakken vol conservenblikken uitstrooiden, kwam de blikopener tevoorschijn. Hij ging de hele straat door.”

Tjideng-kamp
Na drie jaar werd het gezin per trein in goederenwagons getransporteerd naar het Tjideng-kamp, in Batavia. Daar verergerden de omstandigheden. “Batavia lag aan de kust, op de vlakte, en het was er veel heter dan in het hooggelegen Bandung. Bij aankomst moesten we uren in de brandende zon staan. Bij ons huis stond een emmer met rijst klaar. Vol maden. Afschuwelijk vond ik dat. Of ik het heb gegeten? Ik weet het niet meer, maar waarschijnlijk at ik om de maden heen.” Het gezin kreeg een kamer van vijf bij vijf meter toegewezen die ze met anderen moesten delen. “We zaten er met vier volwassenen en negen kinderen. Meubels hadden we niet, slapen deden we op een matrasje op de grond. Ik vond het allemaal best, als ik maar kon slapen en m’n moeder in de buurt was. Er was een wc buiten, maar die was al gauw verstopt. Dus we deden het op een pot, die we leegden in de beerput. De stank die ervan afkwam als de jongens uit het jongenskamp de beerput kwamen legen, was niet te harden.”

De kampcommandant in Batavia stond bekend om z’n wreedheid. “Als één vrouw iets verkeerd had gedaan, straften de Jappen het hele kamp. Dan kregen we een paar dagen geen eten. Ook werd er wel voedsel in de rivier gekieperd of moesten de vrouwen hun versgebakken brood in de grond begraven, als represaillemaatregel. Dat was het eten waarvan wij moesten leven. Eén keer kregen we drie dagen lang stijfselpap te eten. Pap van lijm dus. Pure pesterij. Het ging er grijs in en kwam er grijs weer uit. Op een gegeven moment aten we alles: kikkers, ratten, muizen, katten, varens, zwammen, stelen van waterplanten. De vrouwen bakten brood van rubberpitten.”

Open mortuarium
Het kamp in Batavia had ten doel om de vrouwen en kinderen om te brengen. “De Jappen hongerden ons uit. In Bandung woog ik 20 kilo, wat licht is voor een zevenjarige, en na twee maanden Batavia woog ik nog maar 18 kilo. Gelukkig had ik een sterk gestel, net als mijn moeder. Er vielen daar veel doden, vooral door ondervoeding. Kinderen, meisjes, vrouwen. Elke dag was het raak en lagen er een stuk of zes doden onder een laken in het open mortuarium achter ons huis. Later werden dat er wel tien of elf per dag. Ik kende niemand van de overledenen, maar ging altijd kijken. Werd er iemand begraven, dan ging ik daar ook heen. Dat was voor mij tijdvulling, een uitje.”

Het enige contact dat het gezin met vader Wim had, verliep via voorgedrukte kaarten waarop ruimte was voor een paar regels tekst. In het Engels, vanwege de censuur. “Hij mocht er elk jaar één sturen. Als hij schreef dat het goed ging met zijn gezondheid, waren we blij. In het kantoor van de kampcommandant hingen wekelijks lijsten met namen van mensen die nog leefden. Mijn moeder ging altijd kijken en was dan opgelucht als zijn naam erbij stond. Maar op een nacht kreeg ze een soort visioen over mijn vader. Hij was gekleed in een mooi trouwpak en keek naar haar. Toen draaide hij zich om en verdween. Ze besefte dat hij dood was. De keer erna stond zijn naam niet meer op de lijst. Op dat moment zag ik haar heel verdrietig. We hebben met elkaar gehuild om hem.” Wim Terluin overleed op 7 augustus 1945, zeven dagen voor de bevrijding door de Amerikanen. Eind november ’45 werden Aaf, Bert, Tiny en Jelle gerepatrieerd en op 7 januari 1946 arriveerden ze in het grootouderlijk huis in Witmarsum.

Zonder vader
Een trauma van zijn kampperiode heeft Jelle Terluin niet. “Niemand van ons gezin, eigenlijk. We zijn er allemaal sterk uitgekomen en daar heeft ons geloof een grote rol in gespeeld. Het vertrouwen dat God je overal doorheen helpt. Wel heb ik het er lange tijd moeilijk mee gehad dat ik zonder vader ben opgegroeid. Ik heb hem niet gekend en heb ook zijn vaderlijke leiding niet mogen ervaren. Dat is een gemis. Mijn moeder zei: jij was zijn oogappeltje. Ze vertelde dat hij voor de oorlog elke dag als hij thuiskwam met mij naar de spoorlijn fietste om de treinen te zien. Op mijn bureau staat een klein fotootje van mijn vader met mij als baby. Het herinnert me eraan dat hij van me hield.”

Ondanks zijn ervaringen laat Jelle Terluin zich niet leiden door haat. “Ik koester geen wrok, maar heb er bewust voor gekozen te vergeven. Haat en wrok zijn als een geestelijke gevangenis. Als je vergeeft, gaat de gevangenisdeur open en kun je eruit stappen. Op dat moment valt alles van je af en ben je vrij. Ik sprak laatst een leeftijdsgenoot die nog vol haat zit. Hij zit nog steeds in het kamp, ik ben er al uit.”

Bruintje Beer
Jelle Terluin kreeg Bruintje Beer in het kamp toen hij vier jaar werd. Bruintje is nu 73 jaar.  “Ik kende de avonturen van Bruintje Beer en was gek op de boekjes. Een vriendin van mijn tante maakte de knuffelbeer speciaal voor mij en ik was er dol op. Deze beer heeft alles samen met mij meegemaakt. Voor mij betekende hij houvast en troost.”